Snoeien van overhangend groen

Snoeien van overhangend groen (door burgers)

Beleidsregels voor verplichting om overhangende beplanting te snoeien

Volgens artikel 2.15 van de Algemeen Plaatselijke Verordening is het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert dan wel dat de instandhouding van de weg en de bruikbaarheid daarvan wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Om voor iedereen duidelijk te maken wanneer overhangend groen hinderlijk of gevaarlijk is, gelden de volgende regels:

  • a. boven openbare autowegen, parkeerterreinen en rabatstroken de vrije doorrijhoogte minder dan 4,10 meter hoogte bedraagt;
  • b. boven openbare fiets- en voetpaden de vrije doorgang minder dan 2,50 meter hoogte bedraagt;
  • c. gemeten vanaf de erfgrens het groen tijdens het groeiseizoen van mei tot en met september verder boven openbare autowegen, parkeerterreinen, rabatstroken, voet- en fietspaden uitsteekt dan 0,30 meter en buiten het groeiseizoen verder dan de erfgrens;
  • d. bij lichtmasten en armaturen de beplanting de lichtval naar de openbare autowegen, parkeerterreinen, rabatstroken, voet- en fietspaden belemmert;
  • e. verkeersborden niet vrij van beplanting zijn of door beplanting niet goed zichtbaar zijn.

De eigenaar of beheerder van overhangende beplanting is gehouden zijn beplantingen zodanig terug te snoeien en gesnoeid te houden dat hinderlijke en/of gevaarlijke situaties worden vermeden. In het geval als bedoeld in onder c, dient na aanschrijving door of namens burgemeester en wethouders terugsnoei in ieder geval plaats te vinden tot aan de erfgrens.

 
Logo Drempelvrij